Varia

Appels en peren? De meerwaarde van het vergelijken van dekolonisatieoorlogen, uit Indies tijdschrift 2019 #0, rubriek 'Van de instellingen'

door Thijs Brocades Zaalberg en Bart Luttikhuis

Van april tot en met juni van dit jaar kwamen twaalf Nederlandse en buitenlandse onderzoekers bijeen in het Netherlands Institute for Advanced Studies in Amsterdam om gezamenlijk te werken aan een onderzoeksproject waarin extreme geweldpleging in dekolonisatieoorlogen werd vergeleken. Dit project was onderdeel van het onderzoeksprogramma Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945–1950. Het mondde uit in een conferentie en workshop op 20–21 juni 2019. De resultaten zullen komend jaar gepubliceerd worden in het tijdschrift Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (BMGN). Hier doen de projectcoördinatoren alvast beknopt verslag van hun bevindingen in deze enerverende drie maanden onderzoek.
 

Het maken van historische vergelijkingen kan vele doeleinden hebben. Al tijdens de oorlog in Indonesië (1945-1949) deed procureur-generaal Henk Felderhof een duit in het zakje. Het motief van deze centrale figuur bij de bestraffing en legitimering van extreem geweld in Indonesië was het goedpraten van de massaexecuties door de commando’s van kapitein Raymond Westerling eind 1946 en begin 1947 op Zuid-Celebes. Hij vergeleek het in zijn ogen gecontroleerde, gerichte optreden van deze troepen positief met de lukrake bombardementen door de Britse luchtmacht tegen communistische rebellen in Maleisië. Hoewel Felderhofs opportunistische motieven hier vrij doorzichtig waren, is dezelfde redenering in later jaren nog vaak herhaald. Toen bijvoorbeeld oorlogsveteraan Joop Hueting in 1969 op de nationale televisie grootschalige misdragingen door Nederlandse troepen in Indonesië onthulde, schreef een van de vele honderden verontwaardigde collega-veteranen in een protestbrief aan de betreffende televisieomroep: ‘Wij Nederlanders doen zulke dingen niet. Duitsers, Fransen en Amerikanen wel, maar wij niet.’ Maar als recent onderzoek in Nederland iets heeft aangetoond, dan is het wel dat ook ‘wij Nederlanders’ allerminst vrijuit gingen.   
Het heeft in onze optiek echter weinig zin om in vergelijkingen te blijven hangen in een relatieve schuldvraag: de vraag wie er ‘erger’ of ‘minder erg’ was. Nog afgezien van het feit dat het maken van een soort schuldranglijst een onmogelijke opgave zou zijn, helpt het ons ook analytisch niet verder. Terwijl vergelijken ons juist daarin kan helpen. In colleges gebruiken wij bijvoorbeeld met onze studenten vaak de Vietnamoorlog als vergelijking voor de dynamiek van de oorlog in Indonesië. Niet omdat deze oorlogen in alle opzichten overeenkomen – geenszins – maar omdat het een oorlog is waar studenten zich door de vele oorlogsfilms beter een beeld van kunnen vormen. Belangrijker nog: vergelijkende geschiedenis als historische benadering is ook bij uitstek een methode om niet alleen hoe-vragen, maar ook waarom-vragen te stellen. In ons geval: waarom escaleerde de oorlog in Indonesië dermate dat Nederlandse troepen structureel over de schreef gingen? Het is deze vraag die voor ons in alle vergelijkingen centraal stond.    
In het Nederlandse onderzoek naar de oorlog in Indonesië, en in het bijzonder naar extreem geweld door Nederlandse troepen in deze oorlog, zijn in de laatste jaren grote stappen gezet. Hetzelfde geldt voor het historisch onderzoek in onder andere Groot-Brittannië en Frankrijk naar andere dekolonisatieoorlogen zoals in Maleisië (1948-1960), Kenia (1952-1960), Algerije (1954-1962) en in iets mindere mate Indochina (19451954). Maar al dat onderzoek, niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten, is vaak erg navelstaarderig gebleven. We zijn vooral geïnteresseerd gebleven in ‘onze’ oorlog. En hoewel dat niet altijd de bedoeling was, heeft dat wel vaak geleid tot een beeld van exceptionaliteit en uniciteit: ‘onze oorlog’ is anders dan alle andere. Niets is minder waar. De door ons bestudeerde oorlogen hebben juist meer met elkaar gemeen dan je zou denken.
 
Aanpak van struikelblokken
Vergelijkende geschiedenis is niet makkelijk. Een groot struikelblok is de enorme hoeveelheid werk die nodig is om een vergelijking goed uit te werken. De historicus moet hiervoor minstens twee casussen grondig bestuderen, de relevante boeken daarover doorakkeren, en twee keer zoveel archieven raadplegen als een collega die zich tot één casus beperkt. Een tweede struikelblok is de taalbarrière. Deze barrière is een belangrijke reden waarom buitenlandse historici, in de zeldzame gevallen waarin zij wel pogingen deden om dekolonisatieoorlogen te vergelijken, vrijwel nooit de Nederlands-Indonesische oorlog in hun analyse meenamen.    
Om deze struikelblokken te overwinnen hebben wij er in ons project voor gekozen om telkens twee historici te koppelen: een buitenlandse expert en een Nederlandse onderzoeker, die samen werkten aan een vergelijking tussen Indonesië en één of meer andere oorlogen. Pierre Asselin en Esther Captain vergeleken de vroegste periode van de oorlogen in Vietnam en Indonesië, op zoek naar het beginpunt en de oorzaken van de koloniale geweldpleging in deze oorlogen. Huw Bennett en Peter Romijn analyseerden in een vergelijking tussen Groot-Brittannië en Nederland de politieke aansturing en verantwoordelijkheid voor geweld in Den Haag en Londen. Brian McAllister Linn en Azarja Harmanny bestudeerden de toepassing van ‘technisch geweld’ zoals artilleriebeschietingen en luchtaanvallen in Indonesië en een scala aan andere oorlogen in dezelfde periode. Natalya Vince en Stef Scagliola verdiepten zich in de rol van verkrachtingen en seksueel geweld in de oorlogen in Indonesië en Algerije. Martin Thomas en Roel Frakking, ten slotte, bogen zich over de ‘microdynamiek’ van geweld op lokaal niveau, waar deze oorlogen er vaak een stuk gecompliceerder uitzagen dan simpelweg ‘kolonisator’ tegen ‘gekoloniseerde’.   
Samenwerken in een groep van (met onszelf erbij) twaalf zeer verschillende onderzoekers betekent dat iedereen eerst uit zijn of haar comfortzone moet treden. Vooral in het begin spraken wij soms langs elkaar heen. Niet alleen spraken wij letterlijk andere talen, ook de begrippen waarin ieder van ons gewend was te denken, of de vragen die we gewend waren te stellen, waren zeer verschillend. We hebben bijvoorbeeld intensief gesproken over de fundamentele vraag wat nou eigenlijk ons onderwerp was, en hoe we dat omschreven: gaat het over ‘oorlogsmisdaden’, ‘excessief  geweld’, of ‘extreem geweld’? Welke betekenis hebben die termen door de jaren heen gekregen in het Nederlandse debat en/of in andere landen? En wat valt er onder die begrippen? Naast deze begrippenkwestie zagen wij ons geconfronteerd met het probleem dat sommige onderwerpen voor de ene casus veel beter uitgewerkt zijn in de geschiedschrijving dan voor andere casussen. Het voorkomen van seksueel geweld is bijvoorbeeld een bekend fenomeen voor historici die zich met Algerije bezighouden, maar dit onderwerp is tot op heden voor Indonesië vrijwel genegeerd. Pas toen zij geïnspireerd door de Algerije-casus nog eens dieper in de archieven doken, kwamen Scagliola en Vince erachter dat er verrassend genoeg voor Indonesië meer archiefmateriaal over seksueel geweld te vinden is dan voor Algerije (wat overigens gezien de slechte documentatie omtrent deze vorm van geweld nog niet wil zeggen dat verkrachting in Indonesië ook daadwerkelijk meer voorkwam). Harmanny en Linn werden in hun onderzoek naar ‘technisch geweld’ met iets vergelijkbaars geconfronteerd. Deze verzamelterm voor artilleriebeschietingen en luchtbeschietingen is alleen in de Nederlandse geschiedschrijving gebruikelijk, maar daarbuiten volledig onbekend. De confrontatie van de Nederlandse geschiedschrijving met de kennis van militair expert Brian Linn leverde discussie op, want Linn kon met de term ‘technisch geweld’ niet goed overweg in de vergelijking met o.a. Korea, Maleisië en de Filipijnen. Maar juist die discussies en de daaruit voortkomende verscherping van onze begrippen leverden nieuwe inzichten op.
 
Eerste conclusies
Aan ons als coördinatoren van deze onderzoeksgroep was de schone maar moeilijke taak om uit de verschillende bijdrages algemenere conclusies te trekken. Op moment van schrijven zitten we nog midden in dat proces. Maar tijdens de drie maanden die wij aan het NIAS in Amsterdam verbleven, is ons al wel een aantal dingen opgevallen die ons anders niet zo helder voor ogen waren gekomen. Ten eerste zagen we dat de door ons bestudeerde oorlogen meer op elkaar leken dan vaak gedacht wordt. Waar eerder al weleens oppervlakkige vergelijkingen gemaakt werden (zoals procureur-generaal Felderhof bijvoorbeeld al eind jaren veertig deed) was dat vaak vooral om verschillen te benoemen. Onze ervaring is daarentegen juist dat hoe dieper we in de verschillende casussen doken, hoe groter de overeenkomsten bleken.    
Een andere conclusie die wij trokken betrof de oorzaken van extreem geweld. De hamvraag voor historici is natuurlijk telkens weer: waarom gingen koloniale troepen (Nederlanders, Britten, Fransen) structureel over tot extreem geweld in al deze oorlogen? Voor de oorlog in Indonesië is door historici al een hele lijst aan oorzaken en bijdragende factoren aangedragen. In hoofdstuk 10 (‘Oorzaken’) van het boek De brandende kampongs van generaal Spoor van Rémy Limpach worden niet minder dan twintig geweldbevorderende factoren genoemd, van een inconsequent personeelsbeleid en erfenissen van een koloniale traditie van geweld tot gebrek aan discipline. Sommige van de door Limpach genoemde oorzaken zijn ook in andere oorlogen terug te vinden, andere oorzaken in mindere mate. In ons onderzoek viel vooral één gemene deler op: het gebrek aan politieke verantwoording en de daaruit voortkomende straffeloosheid. In alle door ons bestudeerde casussen vonden wij een systeem waarin actoren op alle niveaus wisten dat misdaden onbestraft zouden blijven of in ieder geval niet tot ernstige gevolgen zouden leiden. Cruciaal was dat men ervan uitging dat de meerderen, en uiteindelijk ook de politiek verantwoordelijken in Den Haag, Londen, of Parijs, misdaden achteraf zouden tolereren. Het gevolg hiervan was dat soldaten in de lagere rangen vaak dachten ‘in de geest van’ de wens van hogerhand te handelen door grof geweld te gebruiken. Doordat men daarin niet gecorrigeerd werd, werd men in dit denken bevestigd. Asselin en Captain lieten bijvoorbeeld in hun bijdrage zien dat het van geval tot geval kon verschillen of extreem geweld daadwerkelijk van boven verordonneerd werd (Indochina) of zich meer ‘organisch’ in het veld ontwikkelde (Indonesië). Maar in beide gevallen was er in ieder geval straffeloosheid.   
Onze drie maanden van onderzoek aan het NIAS waren zonder twijfel een intensieve periode, maar toch blijft ons vergelijkend onderzoek noodzakelijkerwijze – in de woorden van onze collega Stef Scagliola – een ‘schetsmatige manier’ van geschiedenis schrijven. Vergelijkende geschiedenis is in potentie zo breed, dat je altijd gedwongen bent om keuzes te maken, zelfs als je met twaalf historici op een kluitje zit. Maar dit nadeel heeft ook een voordeel. Het gaf ons de kans om interessante, complexe, of in de Nederlands-Indonesische oorlog onderbelichte aspecten te selecteren. De vergelijking gaf de kans met andere ogen naar deze onderwerpen te kijken. Wij hopen dat onze inzichten ook andere Nederlandse collega’s hebben geholpen, en ons in de toekomst zullen behoeden voor te veel parochiale geschiedschrijving. Want ook in geschiedschrijving geldt: twee hoofden zijn beter dan één.




Met stille trom
Anton Stolwijk sprak Veronika Kusumaryati over haar leeservaring, uit Indies tijdschrift 2019 #0



Carel Schneider (1932-2011), beter bekend als F. Springer, schreef prachtige, meermaals bekroonde boeken over zijn Indische jeugd en zijn jaren als diplomaat. Voordat hij in 1962 debuteerde met Bericht uit Hollandia werkte hij aan een ander boek, dat uiteindelijk pas na zijn dood werd gepubliceerd. Dit boek, Met stille trom, verhaalt over zijn tijd als bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea (het huidige West-Papoea).    
Over de reden waarom hij het boek destijds niet had willen publiceren, schreef Springer: ‘Voordat de eerste drukproef mij bereikte waren we Nieuw-Guinea al kwijt. En wat had ik geschreven? Geen heroïsche, aangrijpende beschrijving van het drama der Papoea’s die zo abrupt de Hollandse, vaderlijke arm om hun schouders moesten missen, maar een luchtige schets van lokaal gekissebis tussen bestuursambtenaren, zendelingen en nog wat rare vogels, en een enkele blote krijger met peniskoker voor de couleur locale.’   
De bekende Indonesische antropologe Veronika Kusumaryati, die jarenlang onderzoek deed in West-Papoea en momenteel aan Harvard University werkt aan een boek over het gebied, las Met stille trom met een frisse blik en stijgende verbazing.   
‘Het was voor mij een hele gebeurtenis om een boek over deze periode te ontdekken – boeken over West-Papoea zijn sowieso schaars. Het was geweldig om zoveel zaken uit het hedendaagse West-Papoea te herkennen in zo’n oud boek. De Papoea-ambtenaren en -politiemensen komen nog steeds uit Biak. Er zitten nog steeds een paar Nederlandse missionarissen in de Baliem-vallei. De algemene sfeer heeft Springer heel goed weten te treffen.   
Wat ook interessant was: hoewel Springer de namen van zijn personages heeft veranderd, kan iedereen met wat kennis van het gebied gemakkelijk historische figuren herkennen. Als bron voor historici en antropologen is  dit boek daarom van grote waarde.    
Dat alles neemt niet weg dat er ook wel wat op het boek is aan te  merken. Het perspectief ligt geheel bij de Nederlandse bestuursambtenaren, en hoewel dat heel interessant is, laat Springer wel heel veel pijnlijke zaken weg. Het gebied waar hij zich bevindt is in de jaren zestig nog maar een paar jaar “gepacificeerd”. De Nederlanders zetten in sneltreinvaart allerlei veranderingen in – vaak met de beste bedoelingen, maar ze namen niet de tijd om vast te stellen of de Papoea’s daar wel op zaten te wachten. Dat kwam niet eens bij de Nederlanders op, ze waren er geheel van overtuigd dat de Papoea’s te achterlijk en te primitief waren om over hun eigen lot te beslissen. Springer voelt zich hier soms wat ongemakkelijk over, maar ook hij neemt de Papoea’s niet erg serieus. Deze gedachtegang werkt door tot op de dag van vandaag – onder Indonesisch gezag zijn de Papoea’s alleen nog maar verder gemarginaliseerd. De Nederlanders zijn misschien met stille trom vertrokken, maar het kolonialisme niet.’

F. Springer
Met stile trom
Querido, 2012