Columns

Erich, Indo-Europeaan tegen wil en dank
door Carl Haarnack, uit Indies tijdschrift 2019 #0

Erich was een zondagskind, geboren op 12 april 1936 in Jakarta. Hij woonde met zijn ouders en broers in wat toen de Van Diemenstraat in Meester Cornelis heette, maar inmiddels omgedoopt is in Jalan Manggarai Utara in Jatinegara (land van het djatihout). Zijn vader, Carl Johann Haarnack, was geboren in 1908 te Ngawi (Java). Zijn moeder, Anna Helena Mathey, was in 1914 geboren te Sawah Loento (Sumatra).    
Zoals zoveel Indo´s sprak Erich niet veel. En al helemaal niet over het verleden, zijn jeugd of zijn ouders. Een echte jeugd had hij eigenlijk nooit gehad. Dat kwam door de oorlog. Indië was in 1942 bezet door Japan en om onduidelijke redenen waren Erichs vader Carl Johann en zijn gezin niet geïnterneerd. Japanse officieren waren van deur tot deur gegaan. Lokale Javaanse politieagenten en fanatieke revolutionairen, vrienden en bekenden van Erichs vader, begeleidden hen van erf tot erf, van deur tot deur, en wezen de bezetter aan waar de Belanda’s woonden. Die werden op een truck gezet en afgevoerd. Maar ze gingen Erichs huis voorbij. Zijn oom, Frederik Willem, werd vrij snel na het begin van de bezetting wel opgesloten. Erichs vader was vóór de Japanse invasie ambtenaar bij de NederlandsIndische Spoorweg Maatschappij. Zijn rol als stationschef van Soekaboemi was eigenlijk al genoeg geweest om hem en zijn gezin op te sluiten.    
Erichs vader handelde tijdens de bezetting in eieren. In alle vroegte ging hij op pad om bij kleine kippenhouders in de wijde omtrek van Jakarta eieren te kopen. In de stad verkocht hij de eieren weer aan het kampement van de Japanse troepen. Ook had zijn vader Japanse liedjes geleerd. In dreigende situaties had hij zichzelf meerdere malen kunnen redden door het zingen van deze Japanse soldatenliedjes. De zelfvernedering was groot, de hilariteit van de Japanse soldaten nog groter.    
Het handeldrijven met Japanse soldaten en het zingen van Japanse liedjes zou door Nederland beschouwd kunnen worden als landverraad. Maar voor Erichs vader, die ook, net als zíjn vader, in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) gediend had, was vaderlandsliefde op zijn zachtst gezegd een verwarrend begrip. Het ‘vaderland’ lag ver weg. Hij noch zijn vader was zelf ooit in Nederland geweest. Zijn vader, Andreas, was in 1877 ingescheept te Nieuwendiep om in het KNIL te vechten tegen Atjeh. Maar Nederland was niet zíjn thuisland. Dat was het boerenland in Saksen-Anhalt in Duitsland.  
Erichs pa werd, na de dood van zijn vader in 1916, door de autoriteiten aangemerkt als Indo-Europeaan. Hij werd bijna beschouwd als één van hen. Bijna. Het betekende dat hij meer rechten had dan de inlanders. Maar de prijs die hij daarvoor moest betalen was hoog. Op achtjarige leeftijd werd hij, samen met zijn broers Frederik Willem (zes jaar oud) en Maximilliaan Herman (vier jaar oud), na het overlijden van hun vader weggehaald bij zijn moeder, Karidja. Zij was, zoals dat toen heette, een ‘Inlandsche’ en nog maar een kind toen zij als concubine de opa van Erich verzorgde. Het was haar, net als zovele njai’s, weliswaar oogluikend toegestaan samen te leven met een soldaat in Nederlandse dienst, maar zij werd niet in staat geacht bijna-Europese kinderen op te voeden. De kinderen werden, net als duizenden lotgenoten, ondergebracht in het tehuis Huize Oranje van Pa van der Steur te Magelang.    
Erich voelde zich op en top een Javaanse jongen, geboren en getogen in Jakarta, en hij sprak vloeiend Maleis. Er was niets maar dan ook niets dat Erich, noch zijn vader, zou hebben doen besluiten hun geboorteland te verlaten. Zolang als zij zich konden herinneren, waren zij verbonden aan deze bodem en deze mensen. Hier lagen de voetsporen van hun moeder en oma, Karidja en haar ouders en voorouders. Maar gaandeweg veranderde het politieke klimaat en werd Erichs lichte huidskleur en die van zijn vader, moeder en broers een probleem voor hen die vastberaden waren een eind te maken aan het koloniale bestuur. Zij wilden genoegdoening voor het leed dat hun en hun voorouders was aangedaan.    
Erich dacht dat zij, toen ze de oorlog zonder opsluiting en marteling hadden doorstaan, bij hén hoorden, de nationalisten, de Indonesiërs. Maar het waren precies dezelfde mensen die hen in ’42/’43 nog ongemoeid lieten, die tien jaar later schreeuwden dat ze uitbuiters en onderdrukkers waren en het land uit moesten. De mensen waren hetzelfde gebleven, maar het klimaat was veranderd. Het was mode geworden om de kant van de hardliners te kiezen. Mensen wedijverden met elkaar wie het fanatiekst was. Zelfs de kalmste en meest beheerste lui wisten dat het verdacht zou zijn als ze de weg van de gematigden zouden kiezen.    
De repatriëring naar het onbekende vaderland was onafwendbaar geworden. Bij het afscheid kreeg Erich van een jeugdvriend een foto van de rivier de Toentang bij Salatiga, waar ze samen vaak gespeeld hadden. Hij zei: ‘Als je later tachtig bent, Erich, zul je je deze plek dan misschien nog herinneren? Zul je dan nog eens aan ons denken?’ En precies dat deed Erich, zijn hele leven lang, bijna elke dag.